Ramon: The Empyre strikes back. Na zeven jaar absentie meld het Oostenrijkse Empyre zich terug aan het front, met hun eerste langspeler ooit. En daarmee beleeft Empyre gelijk zijn debuut bij dit medium, ofschoon ze al twee eerdere releases op hun naam hebben staan, te weten een demo in 2001 en een split met black metal band Ravenhorst in 2002. De reden van deze lange zwijgzaamheid klinkt inmiddels als een routine, maar ze hadden wat problemen om de bezetting in stand te houden.
Empyre laat zich hoofdzakelijk inspireren door (melodieuze) Zweedse black- en death metal, in de Gothenburg stijl, maar schuwen ook niet de invloeden van Amerikaanse death metal. De zang is dan ook overwegend krijsend, maar de black metal invloeden zijn verder zuiver muzikaal en in die hoek zijn ze dan ook amper te rubriceren. De teksten laten af en toe weer wel een beetje ruimte voor die associatie. Er wordt zelfs zowaar een stukje literatuur verwerkt, uit Dante’s ‘The Divine Comedy’. Ken uw klassiekers en wij treffen elkander in de zevende ring. Nodig is het niet per se, want de teksten van Andi Holzer mogen er best zijn, zeker gezien het feit dat hij een Duitstalige achtergrond heeft, maar het is toch een leuke aanvulling. Wat wel frappant is, is dat hij nogal radicaal van onderwerp verandert. Er zijn heel duidelijk twee kanten in zijn teksten, de ene kant is een duidelijk fascinatie voor de zwarte kant van de menselijke psyche, waar de andere op het eerste gezicht weer maatschappij kritisch lijken te zijn.
Al met al valt Empyre het best samen te vatten als een melodieuze old school death metalband, met modernere invloeden en krijsende zang, die af en toe ook een grunt laat horen. De muzikanten zijn goed geoefend en creatief, maar als kanttekening wil ik toch opmerken dat ze naar mijn smaak iets teveel bezig zijn anderen na te doen, meer dan zelf op zoek te gaan naar een muzikale identiteit. Maar goed, als dit de muziek is die je graag hoort, dan heb je ook groot gelijk dat je het zelf gaat maken, dus dat is de andere kant van het verhaal. Wat ik verder wel weer heel sterk vind, is dat ze catchy stukken moeiteloos aan de kant schuiven om sfeervolle passages de ruimte te geven, wat voortreffelijk naar voren komt in het laatste deel van ‘He Who Saw The Deep’ (wat overigens een bijzonder uitnodigende titel is om te gaan lezen). Maar daarnaast zijn ze ook wel degelijk in staat je aandacht te vangen en vast te houden, terwijl het als achtergrond muziek ook prima fungeert. De wereldtop zullen ze niet halen, maar dat neemt niet weg dat ze een aardig album hebben gemaakt. Leuk bandje.