Listen live to Radio Arrow Classic Rock

Vooroordelen

Door: Wilmar op 1 maart 2010

Horst had het laatst in zijn voorwoord over een spelprogramma met Chantal Janzen waarin Lords of Metal was gevraagd om één of andere belachelijke rol te spelen, en dat daar vriendelijk voor geweigerd is. Alsof metalheads geen universitaire opleiding zouden kunnen voltooien. Gelukkig weten velen van ons beter, maar ik denk dat wij allemaal wel eens tegen een vooroordeel of twee zijn aangelopen. Het leek mij leuk om een paar ludieke vooroordelen uit eigen hoed te toveren en eens aan een nadere analyse te onderwerpen. Eigenlijk zeggen de vooroordelen niets over metal, maar des te meer over de 'publieke perceptie' ervan (voor zover je over 'publiek' kunt spreken als de uitspraak door een éénling wordt gedaan).

Het moment dat je de scheurende gitaren tot jouw favoriete muziek hebt betiteld, is ook het moment waarop je jezelf zult moeten verdedigen tegen massale vooroordelen die over je heen gelazerd worden. Mensen zijn nogal oppervlakkig in hun denken: het ziet er agressief uit, dus zal het ook agressief zijn. En dan verwijs ik naar de uitstraling die metal kan hebben naar de buitenwacht: in de tijd dat ik een puber was hadden we nog LP's, en die hadden nogal eens afbeeldingen die als agressief betiteld kunnen worden: zombies met bloedende bijlen, duivels die priesters laten verdrinken, bulldogkoppen met rare helmpjes op, of zoals de nu klassieke eerste Metallica: een bebloede hamer met een hand die het wil grijpen of juist net loslaat… Combineer dat met de evenzo agressieve tonen van de muziek zelf, en dan heb je natuurlijk als niet ingewijde een punt: wat naar agressieve muziek luistert, moet ook agressief zijn. De kleding die veel metalheads dragen, maakt de boel er ook niet beter op: spijkergoed, zwarte shirts met afbeeldingen van eerder genoemde platenhoezen, studs, tattoos, en vandaag de dag allerhande piercings door allerhande lichaamsdelen, kortom: voor de 'normale' Nederlander moet het nogal een uitdaging zijn om je tussen een dergelijk publiek door te moeten begeven.

En toch is het heel dubbel: veel mensen die in de horeca werken met live-muziek, werken graag op avonden als metalbands komen spelen: het metalpubliek is ongeveer het meest laid back publiek wat er bestaat. Natuurlijk zijn er wel eens opstootjes, maar van het personeel van De Kade (Zaandam) heb ik begrepen dat er tijdens de R&B feesten wel eens pistolen getrokken zijn om ruzies te beslechten, en dat tijdens metalavonden er praktisch geen ruzies zijn. ALS er al ruzies zijn, is dat meestal doordat er publiek binnen komt die er niets te zoeken hebben maar op herrie uit zijn, of als iemand teveel drugs heeft gebruikt. De gemiddelde metalliefhebber komt naar het concert voor de band, voor een biertje en voor de gezelligheid. En zeker in de tijd dat ik als tiener rondwandelde, waren metalconcerten een zeldzaamheid. Je nam genoegen met alles wat er in de buurt kwam. Dus ook bandje X, was een avondje stappen waard, ook al waren hun nummers kut, hun talenten beperkt en kon je je geld beter uitgeven aan een andere kroeg, metal was metal. Zodoende heb ik Jewel vaker gezien dan mij lief is, maar goed: ze waren live goed, het bier was koud en iedereen die je kende was daar aanwezig.

Helaas is de omgeving van je medeheadbangers niet dezelfde als die waar je voor school, werk of sport in moet rondlopen. Om nog maar niet te spreken van de verplichte kringen als familie, kennissen en vrienden, vooral van je ouders, die overal denken commentaar op te kunnen leveren: op je kleding, op de muziek waar je naar luistert, op het lange haar… Je kent ze wel: kleed je toch eens netjes aan! Ga naar de kapper! Ga weg met die luizenbol! Wat is nou het nut van die rare riem? Veelgehoorde argumenten tegen mijn muzikale voorkeur getuigden al van grote 'muzikale kennis': Er zit geen melodie in. Het is allemaal van dat hakketakke teringherrie. Het is allemaal hetzelfde. Moet dat nou allemaal zo hard? Die lui zingen niet, maar schreeuwen. Het is geen muziek. Zo kwam ik dus een keer op een verplichte verjaardag bij mijn zuster thuis, en daar kwam ook sinds jaren mijn neef Wim. Neef Wim had net een dikke baan gescoord bij de vader van zijn vriendin (die ook even moest worden voorgesteld). Na de nodige dikdoenerij van 'heb jij al een vriendin' en 'wat doe jij voor werk', kwam ook de vraag 'naar wat voor muziek luister jij?' Toen uiteindelijk 'heavy metal' voorbij kwam met namen als Iron Maiden, Judas Priest, Mercyful Fate, Metallica, en de wat hardere varianten als Morbid Angel, Deicide, Immolation en Massacre kreeg ik als antwoord van neef Wim: 'Oh, jij luistert dus naar slechte muziek'. Alhoewel ik toen nog niet onderlegd was in de filosofie, wist ik wel dat bepaalde woorden op verschillende manieren konden worden uitgelegd (jahaaa, een hermeneuticus in de dop), en gezien de religieuze overtuiging van mijn neef, wilde ik toch weten wat hij met 'slecht' bedoelde. Hij doelde op 'slecht' in kwalitatieve zin: je hoort er niks van in de hitparade. Dat was ik niet met hem eens: metalpubliek was in die tijd geen singletjespubliek. Als er een nieuwe plaat aan kwam van één van de metalhelden, dan zag je ook dat sommige van die LP's vanuit het niets op nummer één kwamen (zoals met Iron Maiden vaak het geval was), en daarna zakten die platen gewoon weg in de albumhitlijsten. En om muziek 'slecht' te noemen omdat jij er niet van houdt, is nogal kort door de bocht. Nee, neef Wim bleef bij zijn definitie van slechte muziek: het staat niet in de hitparade, dus is het slecht. Toen ik opmerkte dat Mozart volgens zijn visie op muziek ook slecht moest zijn, want dat stond ook niet in de hitparade, toen bleken er uitzonderingsposities te bestaan. Tja, een dergelijk gesprek moet je ook niet met mij aangaan, want die kaatst kan de bal verwachten. Mozart, Beethoven, Brahms en Wagner waren vanaf dat moment 'slechte muziek, want het staat niet in de hitparade'. Neef Wim heb ik daarna nooit meer op een verjaardag gezien…

Ook op het werk kwam ik met enige regelmaat vooroordelen tegen. Ik speelde toen inmiddels al in diverse bandjes, en elke keer liep je dan tegen opmerkingen aan als 'dat is wel handig, dan hoef je niets te kunnen, alleen lawaai maken', of 'die schreeuwmuziek?' Toen ik een keer na het werk naar de oefenruimte ging en dus mijn gitaar en effectenbak mee had naar het werk, wilde een collega op mijn BC Rich Iron Bird wel even een demonstratie geven dat hij ook gitaar kon spelen in een heavy metal band. Na bijna mijn snaren naar de filistijnen geholpen te hebben, begon hij tegen collegae op te scheppen dat 'het er best wel op leek'. Toen ik hem daarna een demonstratie ging geven van Morbid Angel's 'Thy Kingdom Come' en zei dat het ongeveer zo had moeten klinken, moest er natuurlijk weer bravouregedrag getoond worden (ja, wij stammen weldegelijk af van apen) en een vergelijking getrokken worden tussen mijn complexe riffstructuren of dat ene oerakkoord wat hij uit mijn ijzeren vogel had weten te trekken. Het zal overbodig zijn om te zeggen dat ik, als enige metalhead op de afdeling, het onderspit kon delven in de ogen van de resterende collegae.

Het leverde ook wel eens komische situaties op. Ik kan mij nog een situatie herinneren in de Leidsestraat in Amsterdam. Wij waren daar wat aan het eten bij de Febo in afwachting van een concert in Paradiso of de Melkweg, dat laat ik even in het midden. Maar wij werden al geruime tijd bekeken en 'uitgelachen' door een aantal studentikoze figuren die ook een hete eerdeppel uit de muur kwamen trekken. Uiteindelijk komt zo'n bebrilde zijscheiding mijn kant op en stelt de vraag waarmee hij waarschijnlijk vandaag de dag nog wordt getreiterd: 'Zegh, klopt het dat hardreuckers stinkehn?' (ik doe een wanhopige poging om dat malle accent van hem te imiteren in schrijftaal), en alsof Moeder Natuur op dat moment op mijn hand was, voelde ik een enorme aandrang om eens een flinke ruft aan de buitenlucht toe te vertrouwen. 'Nu wel', antwoordde ik doodgemoedereerd, waarop uit headbangend gezelschap een luid gebulder oprees en de toekomstige elite met rode oortjes afdroop, inmiddels ook door eigen kringen aan de nodige ridiculisering blootgesteld.

Maar komisch of niet, het probleem dat metalfans nog altijd met angst en beven worden beschouwd, bleek een paar jaar geleden toen een bewoonster van de Russische Buurt in Zaandam een brief had gestuurd naar Café Ed & An, een café op de Czarinastraat die erom bekend stonden wel eens lekkere rockmuziek te draaien, zo nu en dan bandjes hadden en eens in de twee weken op zondag een jamsessie organiseerden. En het publiek dat er op afkwam waren een mengeling van 'fans' en muzikanten die zelf een moppie muziek wilden spelen. Schermutselingen? Helemaal niet. De kroegeigenaar Ed was zelfs heel begaan met de buurt en liep met regelmaat met een decibelmeter langs de gevel om te kijken of alles nog binnen de perken is. Maar goed, voornoemde briefschrijfster vond toch dat de drempel om even naar binnen te lopen en te vragen of het allemaal wat rustiger kan, toch te hoog. En dat kwam vanwege al die hardrockers die op het terras zitten. Mevrouw was bang dat ze afgetuigd zou worden als ze zou vragen of het allemaal wat rustiger kon. En dan hebben we het hier over zondagmiddag, waarbij een aantal mensen, waarvan het gros niet eens als hardrocker betiteld kon worden, gewoon van een biertje zitten te genieten in het zonnetje. En binnen klonken de klanken van Pearl Jam's 'Black', een nummer dat niet eens als hardrock betiteld kan worden. Kortom: we worden weer eens afgerekend op een vooroordeel. Hardrockers zijn alleen maar domme boeren die hard schreeuwen, met hun hoofden tegen elkaar slaan en krijsend met hun geslachtsdeel zwaaiend hun territorium proberen af te bakenen in je brievenbus. Toen besloot ik maar eens een tegenreactie te geven. Dus bij Café Ed & An hebben we toen een brief in het raam gehangen (de dame in kwestie gaf geen adres op, want die hardrockers zouden wel eens verhaal kunnen komen halen), en de dame in kwestie zal het gerust gelezen hebben. Daarin werd uitgelegd hoe wij, als publiek van Café Ed & An zelf de situatie ervaren: vragen staat vrij. Je doet zaken met de eigenaar van de kroeg en niet met ons als klanten. En jammer dat we in de éénentwintigste eeuw nog steeds worden geconfronteerd met vooroordelen. Ik heb de brief met de volgende woorden ondertekend:

Afzender: Doctorandus W.B.J. Taal. Ook zo'n hardrocker.

Dat is ongeveer de grootste middelvinger die ik inmiddels opsteek naar al die mensen die minachtend doen over metalheads. Ja, natuurlijk zitten er domme boeren tussen, natuurlijk zitten er mensen tussen die zich asociaal gedragen, natuurlijk kunnen we luidruchtig zijn als we een paar biertjes teveel op hebben…Net zoals elk ander publiek in Nederland. Alsof iedereen die naar De Toppers gaan allemaal afgestudeerd zijn in de kwantumfysica. Alsof die niet luidruchtig worden als er iets teveel C2H5OH in gaat. Alsof voetbalsupporters een homogeen publiek is dat getypeerd kan worden als een moderne versie van de Neanderthaler…Laatst opgetekend uit de mond van mijn manager: 'ja, maar het is toch allemaal kutmuziek?' 'Ja, dat is het zeker', antwoordde ik hem. 'Waarom luister jij er dan naar?' was zijn verbaasde antwoord. 'Persoonlijk vind ik kut wel lekker, dus luister ik naar kutmuziek. Het zou totaal anders zijn als je het je reinste pikmuziek zou noemen, of snikkelherrie. Maar met kutmuziek kan ik wel leven.' Gelukkig had hij nooit 'De Vier Ballen Van De Duivel' gelezen van Eric Schreurs, anders had hij me wel geantwoord dat het KLOTENMUZIEK is…


Wilmar schreef ook de volgende columns